| Eerbied voor het verleden |
|
|
|
| maandag 10 augustus 2009 | ||
Zo noem ik de collectie voorwerpen die te zien zijn in de vitrine van de Bibliotheek aan de Molenweg. De voorwerpen zijn allemaal afkomstig van opgravingen, of gevonden met een metaaldetector. Achter dit alles schuilt iemand die met liefde speur en opgravingwerkzaamheden verricht, de Rozenburger Teun van der Velde. In de Bibliotheek toont hij een en ander, en vertelt met passie.
In de vitrine liggen opvallend veel Goudse pijpen, losse steeltjes en pijpenkoppen. De collectie dateert van omstreeks 1800. Alle pijpen zijn gemaakt van klei, dat in een messing mal werd gegoten. Hierdoor was het mogelijk de pijpenkop van wapens of versieringen te voorzien, dat geldt ook voor de stelen van de pijpen. Teun toont mij een pijpenkop in de vorm van een laars, en een met een insect er op. Ook het gildeteken van de pijpenmaker is in reliëf te zien. Slechts één pijpenkop uit deze collectie is geglazuurd. Opmerkelijk is dat de vroegste pijpenkoppen heel klein waren, omdat de tabak in die tijd nogal kostbaar was. Teun heeft veel oog voor detail en dat kwam hem in zijn werk als scheepstimmerman, goed van pas. Hij werd grootgebracht met schaaf en beitel, leerde een ruwe plank tot een gaaf en glad geheel te schaven. Hier heeft hij een grote waardering voor vakmanschap aan overgehouden. We bekijken een aantal scherven van vaatwerk uit de Romeinse tijd. Een deel van een schitterende schotel van bruin aardewerk, met motiefjes versierd. Liefdevol laat Teun het door zijn handen glijden. “Wat waren die Romeinen al ver vooruit hè” zegt hij. Enige fantasie- Romeinen die liggend eten- is hem niet vreemd, wanneer hij het bovenstuk van een kruik, met drinkgat, boven zijn mond houdt: “Je ziet ze zo liggen”. De voorwerpen, met een metaaldetector gevonden, zijn beslist niet minder het bekijken waard. Een kleine ‘pijpenwroeter’ van metaal en een groot aantal Hollandse duiten heeft hij in de loop van ongeveer tien jaar bovengronds gehaald. Sommige munten zijn mooi schoongemaakt, andere zijn met een groenige laag bedekt. Teun vertelt dat dit komt door invloed van ammoniak. Er zijn munten met een gat, die werden aan de mast van een schip gespijkerd om geluk te brengen. In de vitrine liggen metalen kledinghaakjes. Een voorzien van een motief, een kinderkopje. Gespjes in verschillende maten en modellen en vingerhoedjes. Peinzend steekt Teun zijn vinger in een van de vingerhoedjes. “Wie zou dit hier nou hebben gebruikt” vraagt hij zich af. De collectie bevat ook een echt tinnen soldaatje te paard. Hele kleine schaaltjes die als een nest schalen in elkaar passen, zijn er ook bij. Het zijn peilgewichtjes, waarmee vloeistof werd gemeten. Gordijnringetjes van koper en diverse zilveren en ijzeren knopen. Munten uit de tijd dat Nederland nog maar zeven provinciën bezat. Een schoongemaakte duit: Zeelandia 1747, wapen aan achterzijde. West Frisia 1761, wapen Friesland achterzijde. Een cent en een halve cent uit 1857 van Willem v. Oranje. Een zilveren zes stuiverstuk uit Overijssel, rond 1700. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Teun wil niet kwijt waar hij zijn spullen zoekt, maar wil wel vertellen hoe een en ander in zijn werk gaat. Ergens wordt grond afgegraven, bijvoorbeeld om de grond terug te geven aan de natuur. Soms vindt men een oude rivierbedding. Amateurs beginnen meestal te graven. Stuiten ze op iets bijzonders dan worden de werkzaamheden stopgezet en komen er archeologen die de zaak gaan onderzoeken. Ergens in Leiden werd een gracht uitgebaggerd. Over die gracht lag een brug en dat was nou juist de brugleuning waar mensen hun Goudse pijpje op uit wilden kloppen. De pijp brak dan vaak. Zo kwamen pijpen en stelen in het water terecht. Nadat de bagger uit de gracht ergens was gestort, konden Teun en zijn collega’s naar hartenlust Goudse pijpen en stelen opgraven. U ziet er een deel van in de Bibliotheek. Over enige tijd zal Teun de inhoud van de vitrine verwisselen voor een nieuwe collectie, zodat u en ik er van kunnen meegenieten. C.M.v/d E. |
||
| < Vorige | Volgende > |
|---|